Regionale visie

Wethouder Martin de Beer, over uitdagingen en oplossingen in Zuid-Limburg

“Grote vooruitgang dat we als regio onze eigen agenda bepalen”

De economie van de grens- en krimpregio Zuid-Limburg heeft een wat kwetsbare structuur met relatief veel werkzoekenden die vallen onder de Participatiewet. Dit is vooral een erfenis van de sluiting van de mijnen in de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw. Vanuit regionale samenwerking wordt hard gewerkt aan oplossingen en het verzilveren van nieuwe kansen. Martin de Beer, wethouder van Heerlen (een van de drie centrumgemeenten) over de kansen, uitdagingen en de lessen voor andere arbeidsmarktregio’s.

Wat is kenmerkend aan de arbeidsmarktuitdagingen in Zuid-Limburg?

“Zuid-Limburg leunt relatief zwaar op de industrie, waardoor de economie gevoeliger is voor conjunctuurschommelingen en energieprijzen. Zo ondervindt de regio bovengemiddeld veel hinder van stijgende energiekosten. De ligging in de grensregio, gecombineerd met een sterke vergrijzing en een krimpende beroepsbevolking, zet de arbeidsmarkt verder onder druk – vooral door een stijgende zorgvraag. Positief is de opkomst van de medische technologiesector, met name rond het samenwerkingsverband Medlands Parkstad. In deze sector werken nu zo’n 6.000 mensen, met groeipotentie naar circa 10.000. Dat is van grote waarde, omdat het minder conjunctuur- en energieafhankelijk is en het veel kansen en ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor werkenden op verschillende opleidingsniveaus. Verder is onze ligging kenmerkend. Ons geografische contactpunt met de rest van Nederland is relatief klein, terwijl we juist veel grenzen delen met Duitsland en België.”

Hoeveel impact heeft de grensregio op de arbeidsmarkt?

“De invloed is groot, omdat werkgevers nu uit een nog kleinere vijver moeten vissen. Grens overstijgend werken is namelijk geen vanzelfsprekendheid. Daar liggen wel kansen, en daar werken we actief aan – samen met Duitse en Belgische regio’s. Zo zijn er Euregionale GrensInfoPunten voor werk, ondernemerschap, wonen en studeren, een servicepunt voor werkbemiddeling en een speciaal expatcenter. Tegelijkertijd belemmert bestaande Nederlandse wet- en regelgeving de grens overstijgende arbeidsmobiliteit. Die richt zich vooral op het aantal uren dat een werknemer fysiek op locatie werkt bij een werkgever. Tijdens de coronacrisis werd deze regel tijdelijk versoepeld, maar daarna weer ingevoerd – terwijl thuis- en hybride werken juist structureel zijn toegenomen. Regelgeving zou beter moeten aansluiten bij de feitelijke inzet van uren voor een werkgever. Dat zou zowel de arbeidsmobiliteit als onze werkgevers sterk helpen.”

“Grens overstijgend werken is geen vanzelfsprekendheid, maar daar liggen wel kansen”

Wethouder Martin de Beer

Welke groepen op de arbeidsmarkt hebben het extra lastig?

“In deze regio wonen relatief veel werkzoekenden die onder de Participatiewet vallen: circa 14.000 op een bevolking van 600.000. Vooral in Parkstad Limburg, en met name in Heerlen-Noord, is deze groep sterk vertegenwoordigd. Dit is grotendeels het gevolg van de mijnsluitingen, waarvan de impact generaties lang doorwerkt. Ook de toename van sociale woningbouw destijds speelde een rol: die trok sociaaleconomisch juist mensen aan die goedkoper wilden of moesten wonen. Daarnaast telt de regio relatief veel jongeren die het onderwijs vroegtijdig verlaten zonder startkwalificatie.”

Hoe wordt regionaal samengewerkt om oplossingen te creëren?

“Er is een nationaal programma gericht op het vergroten van de arbeidsparticipatie. In de regio wordt daarvoor intensief samengewerkt tussen bedrijven, overheden en onderwijsinstellingen om kandidaten op te leiden en te begeleiden naar betaald werk. De uitvoering gebeurt via diverse initiatieven, zoals de Bovengrondse Vakschool – bedoeld voor mensen die niet zelfstandig werk kunnen vinden. Het is een uitdagend voorportaal waar werkzoekenden kunnen ontdekken welke richting bij hen past. Publiek-private samenwerking is essentieel voor dit soort initiatieven, ook voor het collectief in Heerlen-Noord en Medlands Parkstad. Hier werken gemeenten, UWV, onderwijs en bedrijven nauw samen, met werkgevers als belangrijke kartrekkers. Zo ontstaan uiteenlopende projecten, onder meer gericht op de instroom van statushouders op de arbeidsmarkt.”

Hoe kijkt u naar het landelijk beleid voor hervorming van de arbeidsmarkt waarbij de regio’s leidend zijn?

“Op hoofdlijnen zijn we positief. Onze regio was medevormgever, doordat we al vroeg pilots zijn gestart met regionale mobiliteitsteams en als tweede regio een regionaal werkcentrum opzetten. Voorheen ging veel energie verloren aan het telkens opnieuw organiseren van landelijk beleid rond specifieke thema’s. Steeds opnieuw opbouwen, afbouwen en evalueren kostte veel tijd. Nu bepalen regio’s in grotere mate hun eigen thema’s en ambities op de lange termijn. Daarvoor bouwen we samen met alle betrokkenen aan een structurele en robuuste samenwerking.”

Dat gaat ook niet vanzelf, wat is hierbij de grootste uitdaging?

“Netwerksamenwerking is per definitie complex. Voor effectief beleid zijn drie ingrediënten cruciaal: maatschappelijke urgentie, bestuurlijk commitment en uitvoeringskracht. Die liggen op verschillende niveaus, bewegen in hun eigen tempo en moeten goed op elkaar worden afgestemd – terwijl de economie en arbeidsmarkt voortdurend in beweging zijn. Bovendien begint geen enkele regio met een schone lei: overal bestaan al structuren en samenwerkingsvormen die net anders zijn ingericht. Wanneer het Rijk bijvoorbeeld zegt: ‘het werkgeversservicepunt gaat op in het regionaal werkcentrum’, roept dat per regio verschillende vragen op. Moet er worden gereorganiseerd? Gaat het vooral om de frontoffice? Of ligt de verandering ergens anders? Het is zoeken in een dynamisch ecosysteem van regionale netwerken.”

Hoe lossen jullie dat op?

“Het begint met het gezamenlijk scherp formuleren van de regionale agenda, inclusief kansen en bedreigingen. Hiervoor hebben we regionaal een strategisch overleg waarin we een meerjarenstrategie vaststellen voor onze opgaven en prioriteiten. Vervolgens kunnen alle betrokken partners aan de slag met de uitvoering. Goede publiek-private samenwerking is daarbij essentieel om concrete acties in gang te zetten en kansen daadwerkelijk te verzilveren.”

Wat zou de komst van de Einstein Telescoop naar Zuid-Limburg betekenen?

“Het is zeker een interessante ontwikkeling: een megaproject dat de sociaaleconomische structuur van Zuid-Limburg aanzienlijk kan versterken. Ook op het vlak van het aantrekken en vasthouden van toptalent, wat nu al een uitdaging is. Limburg beschikt al over Brightlands-campussen in Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen en Venlo, waar studenten, specialisten, ondernemers, onderzoekers en overheden samenwerken aan innovaties. Als de telescoop in 2026 aan Limburg wordt toegewezen, zou dat een enorme impuls geven aan de hele regio.”

“Publiek-private samenwerking is essentieel om oplossingen te creëren en de kansen die er zijn te verzilveren”